Belvedere Logo foto
sitemap  print
RO-dossier Nationale Landschappen
bijgewerkt op 29 juli 2009
Landschappen met toekomstwaarde 
Het Nederlandse cultuurlandschap is een essentieel onderdeel van ons cultureel erfgoed, mooi om in te wonen en van groot belang voor toerisme, recreatie en als vestigingsplaatsfactor voor bedrijven. Met de vaststelling van het beleid voor Nationale Landschappen in de Nota Ruimte is het behoud en de versterking van de meest waardevolle cultuurlandschappen stevig op de kaart gezet.
 
In de Nota Ruimte heeft het Rijk twintig Nationale Landschappen aangewezen. Dat zijn gebieden met internationaal zeldzame, unieke en nationaal kenmerkende landschappelijke kwaliteiten. Ze vertellen het verhaal van Nederland. De bijzondere natuurlijke, cultuurhistorische en recreatieve kwaliteiten van het landschap moeten behouden blijven en waar mogelijk versterkt worden. Sociaal-economische ontwikkeling blijft mogelijk, mits de kernkwaliteiten van het gebied worden versterkt (het zogenaamde ‘ja, mits’-principe). Binnen Nationale Landschappen, stelt de Nota Ruimte, is ’behoud door ontwikkeling’ daarom het uitgangspunt voor het ruimtelijk beleid - Belvedere ten voeten uit, dus.
 
De Raad voor het Landelijk Gebied (RLG) benadrukt in haar advies Vaste koers en lange adem uit 2005 dat de Nationale Landschappen niet als beperking gezien moeten worden, maar als een enorme kans, niet alleen voor natuur, landschap en cultuurhistorie, maar misschien nog wel meer voor recreatie, toerisme, maatschappelijk verantwoord ondernemen en wonen. ‘Niet het accent op beperkingen en verboden moet het uitgangspunt zijn’, stelt de Raad, ‘maar het accent op draagvlak, stimuleren, en op behoud in ontwikkeling. Het pakket maatregelen en het unieke karakter van de gebieden moeten per saldo een situatie opleveren waardoor bewoners én ondernemers liever in, dan buiten een Nationaal Landschap willen wonen en werken.’ 

Er liggen dus veel kansen. Maar tegelijkertijd staat de uitwerking en de uitvoering van het beleid voor de Nationale Landschappen nog in de kinderschoenen. Hoe combineer je economische ontwikkeling bijvoorbeeld met het behoud van de landschappelijke identiteit? En hoe zorg je ervoor dat woningbouw, een nieuwe stal, de herinrichting van een weg of de aanleg van een waterbergingsgebied het landschap niet aantasten maar juist versterken? En waarin onderscheiden deze ontwikkelingen zich van ruimtelijke ontwikkelingen elders in het land? Het zijn stuk voor stuk vraagstukken die veel kennis, creativiteit en (ontwerp)kwaliteit vragen. 

Gelukkig zijn er de afgelopen jaren al veel Belvedere-projecten in het landelijk gebied opgezet waarin ‘behoud door ontwikkeling’ centraal stond - vaak uitgevoerd in gebieden die nu een Nationaal Landschap zijn. In dit dossier vindt u naast achtergronden en tal van handige links ook voorbeelden van ruimtelijke ontwikkelingsprojecten die (voort)bouwen op cultuurhistorie en landschappelijke identiteit. Ze kunnen dienen als inspiratie bij de vormgeving en de verdere uitvoering van het beleid voor de Nationale Landschappen.

Achtergrond
In de Nota Ruimte is voor elk Nationaal Landschap in het kort weergegeven welke bijzondere kwaliteiten het gebied heeft. Provincies werken deze zogeheten kernkwaliteiten uit in hun Streekplan. Daarin worden ook de exacte grenzen van de Nationale Landschappen vastgelegd, want het Rijk heeft deze niet gedetailleerd aangegeven, met uitzondering van het Groene Hart. De Belvedere-publicatie Landschappen met Toekomstwaarde - Cultuurhistorische karakteristiek van de nationale landschappen, waarin de kernkwaliteiten verder zijn uitgewerkt, kan daarbij een hulpmiddel zijn.
 
De kernkwaliteiten van Nationale Landschappen zijn bepalend voor de ruimtelijke ontwikkelingsmogelijkheden. Uitgangspunt is - zoals gezegd - dat ontwikkeling door kan gaan of zelfs geïntensiveerd kan worden, als die kwaliteiten worden behouden of versterkt (het zogenaamde ‘ja, mits’-principe). Woningbouw is binnen Nationale Landschappen alleen toegestaan voor de opvang van de eigen bevolkingsgroei, het zogenaamde ‘migratiesaldo nul’. Ook is er ruimte voor regionale en lokale bedrijvigheid, inclusief niet-grondgebonden landbouwbedrijven. Grootschalige verstedelijkingslocaties en bedrijventerreinen, nieuwe grootschalige glastuinbouwlocaties en nieuwe grootschalige infrastructurele projecten zijn niet toegestaan. Over de ontwikkelingsmogelijkheden voor woningbouw en bedrijvigheid - en de locaties daarvoor - maken provincies afspraken met de gemeenten.
 
De Nationale Landschappen zijn onderdeel van de zogenaamde Ruimtelijke Hoofdstructuur, waar bijvoorbeeld ook de Ecologische Hoofdstructuur onder valt. De aanwijzing van de Nationale Landschappen in de Nota Ruimte is een planologische kernbeslissing; het betekent dat provincies verplicht zijn de gebieden als Nationaal Landschap te begrenzen. Het betekent ook dat het Rijk meebetaalt aan de aanleg, het onderhoud en beheer van landschapselementen en recreatieve voorzieningen in de Nationale Landschappen (zie financiering).

Gebiedsindeling
De twintig Nationale Landschappen (zie kaart bovenaan dit dossier) hebben een totale oppervlakte van zo’n 800.000 ha. Het gaat om het Groene Hart, Middag- Humsterland, Noordelijke Wouden, Hoekse Waard, Zuid-West Friesland, Drentsche Aa, IJsseldelta, Noord-Oost Twente, Graafschap, Achterhoek, Gelderse Poort, Veluwe, Rivierengebied, Laag-Holland, Zuid-West Zeeland, Groene Woud, Heuvelland, Arkenheen-Eemland, de Nieuwe Hollandse Waterlinie en de Stelling van Amsterdam. 

Een deel van die gebieden was eerder al aangewezen als ’Waardevol Cultuurlandschap’ (WCL), waar met name via stimuleringsmaatregelen aan de kwaliteit van het landschap gewerkt werd. 

Omdat cultuurhistorie een essentieel aspect is van de landschappelijke kwaliteit, spreekt het bijna voor zich dat negentien van de twintig Nationale Landschappen geheel of gedeeltelijk samenvallen met Belvedere-gebieden; alleen de Hoeksche Waard is geen Belvederegebied. Het betekent kortom, dat er in veel Nationale Landschappen al eerder aan het behoud van de landschappelijke kwaliteit werd gewerkt. Met de introductie van de Nationale Landschappen is dat beleid versterkt. De Belvederegebieden die zijn opgenomen in de Nationale Landschappen hebben hiermee een formele status gekregen.

Uitvoeringsprogramma’s
De provincies zijn verantwoordelijk voor de regie en de uitvoering van het beleid voor de Nationale Landschappen, net als bij andere vormen van gebiedsgericht beleid. Om de uitvoering te structureren zetten de provincies samen met partijen in de streek - zoals gemeenten, waterschappen, terreinbeheerders en maatschappelijke partijen - voor ieder Nationaal Landschap een integraal uitvoeringsprogramma op voor de periode 2007-2013. In die integrale uitvoeringsprogramma’s is specifiek aandacht voor grondgebonden landbouw, natuur, cultuurhistorie, toerisme en recreatie, en voor de veenweideproblematiek (voor zover dit van toepassing is). De uitvoeringsprogramma’s zijn de basis voor de financiële afspraken tussen provincie en Rijk. Met provincies is afgesproken dat de uitvoeringsprogramma’s en de begrenzingen medio 2006 gereed zijn.

terug naar bovenBeleid & regels
De hoofdlijnen van het beleid voor de Nationale Landschappen zijn vastgelegd in de Nota Ruimte. De provincies nemen een gedetailleerde begrenzing van de Nationale Landschappen op in hun streekplannen en werken daarin de kernkwaliteiten uit. Deze zijn leidend voor de ruimtelijke ontwikkeling. Het Rijk zal het streekplan hierop toetsen. 

Ook moeten de provincies in de vorm van een planologisch kader aangeven hoe zij het bouwen in het buitengebied voor wonen en werken zullen combineren met maatregelen voor groen (en water), zodat er per saldo ook een meerwaarde voor natuur, landschap en cultuurhistorie ontstaat. Provincies en gemeenten kunnen hierop inspelen door bijvoorbeeld vrijkomende (agrarische) bebouwing een woonfunctie te geven of door de vorming van nieuwe landgoederen en buitenplaatsen. Ook kunnen nieuwe woningen worden gebouwd in ruil voor de sloop van stallen (‘ruimte voor ruimte’). 

Gemeenten verwerken het provinciale beleid voor de Nationale Landschappen in hun bestemmingsplan. Het bestemmingsplan is het ruimtelijk plan waaraan burgers direct gebonden zijn. Door deze getrapte beleidsvorming kan het beleid per gemeente, Nationaal Landschap en provincie sterk verschillen. 

De Agenda Vitaal Platteland (AVP) van het ministerie van LNV en het bijbehorende Meerjarenprogramma Vitaal Platteland vormen het financiële kader voor de uitvoering van het beleid (zie financiering). Meer informatie over de Nationale Landschappen en het AVP vindt u op de website van het Ministerie van LNV.

Naast het specifieke beleid voor de Nationale Landschappen blijft er in deze gebieden veel regulier bestaand (ruimtelijk) beleid gelden. Dat geldt onder andere voor nationale (ruimtelijke) kaders als de Ecologische Hoofdstructuur, en voor het provinciale (ruimtelijke) beleid, zoals het provinciale water- of cultuurhistorische beleid. Sommige provincies hebben instrumenten ontwikkeld waarbij (landschappelijke) eisen gesteld kunnen worden aan nieuwbouw of uitbreiding van bedrijvigheid en/of woningen in het buitengebied. De provincie Limburg heeft bijvoorbeeld het BOM+-instrument ontwikkeld (Bouwkavel Op Maat). Principe is dat uitbreiding (van bedrijven) mag, mits de eigenaar een tegenprestatie levert op het gebied van landschap, natuur of milieu, zoals de aanleg van een houtwal. Een andere bekend voorbeeld is de Positieve Lijst van de provincie Zeeland, waarbij de provincie (neven)activiteiten op agrarische bedrijven in het buitengebied aangeeft die volgens de provincie passen binnen het karakter van het gebied; andere nevenactiviteiten worden geweerd. Aan het toestaan van (gewenste) nevenactiviteiten worden kwaliteitseisen en/of investering in de kwaliteit van het landschap gesteld. 

Meer informatie over het provinciale en gemeentelijke beleid rond bouwen in het buitengebied kunt u verkrijgen via de RO-afdelingen van uw provincie of gemeente.

terug naar bovenFinancieringen
Voor het Rijk zijn de Nationale Landschappen extra aandachtsgebieden. Het Rijk betaalt dan ook mee aan de acties die staan beschreven in de integrale uitvoeringsprogramma’s. Daar is veel geld voor nodig. De Raad voor het Landelijk Gebied (RLG) becijferde in haar advies Vaste koers en lange adem dat er jaarlijks 225 miljoen euro nodig is voor beheer en ontwikkeling van de Nationale Landschappen. Dat geld is gedeeltelijk beschikbaar. Volgens de RLG is het benodigde bedrag bijeen te brengen door medefinanciering vanuit de EU, provincies, gemeenten, maatschappelijke organisaties en de private sector.
 
Het Rijk zal vanaf 2007 vanuit het Investeringsbudget Landelijk Gebied (ILG) een bijdrage leveren aan investeringen en beheerskosten. Voor elk Nationaal Landschap worden hierover financiële afspraken gemaakt tussen het Rijk en de provincies. Basis voor die afspraken zijn de integrale uitvoeringsprogramma’s (zie boven). Eind 2006, als de uitvoeringsprogramma’s zijn vastgesteld en de financiële afspraken tussen Rijk en provincies zijn gemaakt, wordt duidelijk hoeveel geld er daadwerkelijk nodig is. De financiële afspraken gaan over de periode 2007-2013. 

Omdat het Belvedere-beleid sterk aansluit op de filosofie voor de Nationale Landschappen - en omdat het Rijk haar middelen wil ‘ontschotten’ - is besloten om een deel van de Belvedere-gelden (dat eerder via projectsubsidies werd uitgegeven) nu via het ILG aan de Nationale Landschappen ter beschikking te stellen. Het gaat daarbij in 2005 en 2006 om jaarlijks 2,25 miljoen euro. Of voor de jaren vanaf 2007 ook Belvedere-gelden worden ingezet wordt in september 2006 besloten. Dit hangt onder andere af van de besteding van het geld tot nu toe. Vooruitlopend op het ILG heeft het Rijk voor de periode 2005-2007 in totaal 30 miljoen euro gereserveerd, exclusief de jaarlijkse 2,25 miljoen ‘Belvedere-gelden’.
 
Meer informatie over het Investeringsbudget Landelijk Gebied (ILG), de uitvoeringscontracten en gebiedsgericht beleid (waarvan het beleid voor de Nationale Landschappen een onderdeel is) vindt u op www.gebiedsgerichtbeleid.nl.

Naast de directe financieringsmogelijkheden vanuit overheden, zijn er de laatste jaren in het kader van een meer ontwikkelingsgerichte benadering (planologische) instrumenten ontwikkeld waarmee kwaliteitsverbetering in het landelijk gebied gerealiseerd kan worden, zonder dat daarvoor extra geld nodig is. Denk bijvoorbeeld aan de Ruimte voor Ruimte regelingen: met de winst uit woningbouw (of functiewijziging) in het landelijk gebied kunnen ontsierende stallen worden gesloopt. Ook kunnen uit ‘rode’ ontwikkelingen landschappelijke, cultuurhistorische, ecologische of waterprojecten worden (mede)gefinancierd, ‘rood voor groen’ in vakjargon. Daarnaast bekijkt LNV of investeringen in en inkomsten uit Nationale Landschappen fiscaal aantrekkelijk gemaakt kunnen worden. 

Een speciaal aandachtspunt binnen de Nationale Landschappen is het beheer van agrarische gronden. Juist in de Nationale Landschappen is de (grondgebonden) landbouw van oudsher één van de belangrijkste beeldbepalers en (economische) dragers. Maar tegelijkertijd zijn de productieomstandigheden in de Nationale Landschappen over het algemeen slechter dan elders. Voor landbouwbedrijven die moeten produceren onder zware natuurlijke of landschappelijke handicaps, zal het rijk bekijken of (en hoe) hiervoor ook de Europese Plattelandsontwikkelingsgelden (POP-gelden) ingezet kunnen worden; uiterlijk eind 2006 beslist Brussel hierover. 

Om het opstellen van een toegesneden, regionale regeling voor de vergoeding van landschapsbeheer en -onderhoud te vereenvoudigen, werken het ministerie van LNV en de provincies samen aan de ontwikkeling van de Catalogus Groenblauwe Diensten, die in 2007 van kracht moet worden. Groenblauwe diensten zijn werkzaamheden op het gebied van natuur, water, landschap en cultuurhistorie die de kwaliteit en toegankelijkheid van het landelijk gebied verhogen, en méér inhouden dan wat wettelijk al verplicht is. De Catalogus Groenblauwe Diensten wordt een totaallijst van in Brussel goedgekeurde maatregelen met maximale vergoedingen voor die maatregelen. Met de maatregelen uit de Catalogus kan een regionale organisatie of overheid zelf eenvoudig een nieuwe (regionale) subsidieregelingen ontwerpen, zonder een afzonderlijke gang naar Brussel (óf met een versnelde goedkeuringsprocedure).

In diverse gebieden bestaan overigens al (provinciale) fondsen voor het (agrarisch) beheer van landschap en cultuurhistorie, zoals in het Brabantse project Landinrichting St. Oedenrode en in Midden-Delfland. Op www.nederlandmooi.nl zijn deze en andere inspirerende initiatieven en financieringsconstructies terug te vinden. Op de site is ondermeer aandacht voor sponsoring (van landschapsbeheer en -onderhoud) door het bedrijfsleven en voor regionale (burger)initiatieven rond de vorming van landschapsfondsen. Ook bevat de site voorbeelden van maatregelen die gemeenten, provincies en andere organisaties kunnen nemen om boeren in hun streek te ondersteunen bij het beheer van het landschap.

terug naar bovenBetrokken partijen
Bij (de vormgeving en uitvoering van) het beleid voor de Nationale Landschappen zijn veel partijen betrokken. In de eerste plaats zijn dat natuurlijk de provincies, die verantwoordelijk zijn voor de uitwerking en de uitvoering van het beleid. De provincie voert de regie, net als bij andere vormen van gebiedsgericht beleid. 

De nadere begrenzing en de uitvoeringsplannen voor de Nationale Landschappen worden in eerste instantie opgesteld door provincie en gemeentes samen. Iedere provincie heeft inmiddels coördinatoren aangesteld, en vanuit de ministeries van LNV en VROM zijn er regionale contactpersonen aangewezen, die de Nationale Landschappen ondersteunen (zie de link naar de contactpersonenlijst onderaan dit dossier). Ook vanuit de Rijksdienst voor de Monumentenzorg (RDMZ) en de Rijksdienst voor Oudheidkundig Bodemonderzoek (ROB) zijn adviseurs bij de planvorming en uitvoering betrokken. De namen van deze medewerkers kunt u ook vinden in de contactpersonenlijst onderaan dit dossier. Het is de bedoeling dat er voor ieder Nationaal Landschap een uitvoeringsorganisatie komt.
 
Bij de daadwerkelijke uitvoering zullen naast provincie en gemeenten ook veel andere partijen betrokken zijn. In de eerste plaats waterschappen, terreinbeheerders, recreatieschappen, provinciale landschapsbeheerorganisaties, steunpunten cultureel erfgoed, ondernemers en grondeigenaren - vaak boeren en landgoedeigenaren. En daarnaast natuurlijk ook de bewoners. 

Uit de projectvoorbeelden (zie onder) blijkt dat het zeer vruchtbaar kan zijn om bij de planvorming en -uitwerking ook bewoners en bezoekers te betrekken, die hun (woon)wensen, belangen en (cultuurhistorische en landschappelijke) gebiedskennis kunnen inbrengen. Ook de inbreng van ontwerpers en kunstenaars kan vruchtbaar zijn, doordat ze ruimtelijke opgaven op een prikkelende manier weten te koppelen aan de beleving van een gebied. De kwaliteit van, en het draagvlak voor de plannen kan daardoor vergroot worden.

Betrokken partijen:
De Landschappen
Dienst Landelijk gebied
GLTO - Gewestelijke Land- en Tuinbouworganisatie
Noordelijk Land- en Tuinbouworganisatie NLTO
Platform Landschap en Cultuurhistorie
Rijksdienst voor het Cultureel Erfgoed
Staatsbosbeheer
Waterschappen
Zuidelijk Land- en Tuinbouworganisatie ZLTO

terug naar bovenProjecten
Voor de periode 2005-2006 kunnen de provincies al projecten voor hun Nationale Landschappen ter financiering bij het Rijk indienen. In 2005 zijn er nauwelijks projecten ingediend, met name omdat het Rijk toen voor de Nationale Landschappen nog geen regeling en toetsingskader beschikbaar had. Maar voor 2006 staan wel concrete uitvoeringsprojecten op de rol. Uit een eerste inventarisatie blijkt dat er daarbij veel aandacht uitgaat naar projecten op het vlak van voorlichting en educatie, recreatieve gebiedsontwikkeling (zoals de aanleg van routes en transferia), natuur (de aanleg van ecopassages, landschapselementen en ecologische verbindingen) en identiteit (zoals de organisatie van streekfestivals). Ook cultuurhistorie krijgt aandacht, meestal als onderdeel van grotere projecten. Twintig procent van het uitvoeringsbudget is bestemd voor cultuurhistorie.
 
‘Behoud door ontwikkeling’ lijkt in de uitvoeringsprogramma’s nog minder vertegenwoordigd te zijn. Dat betekent niet dat er geen inspirerende projectvoorbeelden op dat vlak zijn - integendeel zelfs. Veel Belvedere-projecten gaan juist in op ruimtelijke ontwikkelingsvraagstukken in combinatie met het versterken van de landschappelijke en cultuurhistorische kwaliteiten in het landelijk gebied. Dat kunnen projecten zijn die met een Belvedere-subsidie zijn uitgevoerd of projecten die (zonder Belvedere-subsidie) ‘behoud door ontwikkeling’ in praktijk hebben gebracht. Op onze website vindt u daar veel voorbeelden van die - voor wat betreft het landelijk gebied - grofweg verdeeld kunnen worden in de volgende ruimtelijke opgaven.

Bouwen in het buitengebied
Een van de belangrijkste - en meest gevoelige - thema’s binnen de Nationale Landschappen is ongetwijfeld bouwen in het buitengebied (voor wonen én werken). Bouwen mag, zoals gezegd, om aan de eigen woningbehoefte te voldoen. Maar het mag niet leiden tot vergaande verstening en de manier waarop gebouwd wordt moet een gebiedsspecifieke invulling krijgen. Ook moeten ‘rode’ ontwikkelingen bijdragen aan investeringen in landschap, natuur of water, zodat er per saldo ook een meerwaarde voor groen ontstaat.
 
Inmiddels zijn overal in Nederland zeer uiteenlopende ervaringen opgedaan met streekeigen nieuwbouw. Wat de initiatieven bindt is de gedachte dat nieuwbouw het landschap niet hoeft aan te tasten (zoals vaak wordt gedacht) maar het juist kan versterken, door voort te bouwen op de landschappelijke identiteit of cultuurhistorie te gebruiken als inspiratiebron. Aanknopingspunten liggen op twee niveaus, dat van de streekeigen architectuur en erfinrichting (denk aan kleur- en materiaalgebruik, detaillering, beplanting) en dat van de landschappelijke inbedding (zoals de geveloriëntatie en het voortbouwen op bestaande bebouwingspatronen). Meer informatie en een uitgebreide lijst met projecten vindt u in ons webdossier ‘bouwen in het buitengebied’.

Herbestemming agrarische gebouwen en verbreding
De Nota Ruimte noemt het benutten van vrijkomende agrarische bebouwing expliciet als strategie om aan de woning- en bedrijfsbehoefte in Nationale Landschappen te voldoen. Dat is logisch: jaarlijks stoppen zo’n vierduizend boeren met hun bedrijf. Door vrijkomende boerderijen te benutten hoeft er minder gebouwd te worden, wordt de regionale economie gestimuleerd en wordt waardevol cultureel erfgoed behouden. Ook het toestaan van nieuwe nevenfuncties op boerenbedrijven (zoals een minicamping of de verkoop van streekproducten) kan zorgen voor nieuwe economische impulsen én het behoud van een waardevolle boerderij. 

Veel provincies hebben inmiddels hun beleid voor vrijkomende agrarische bebouwing zo vernieuwd dat er meer mogelijkheden zijn, terwijl de ruimtelijke kwaliteit versterkt wordt. En op veel plekken werken gemeenten en organisaties actief aan het enthousiasmeren van (nieuwe) eigenaren, via voorlichting, advisering en subsidies. Meer informatie en een uitgebreide lijst met projecten vindt u in ons webdossier ‘herbestemming agrarische bebouwing’.

Regionale waterberging
Om op de gevolgen van de klimaatverandering voorbereid te zijn en wateroverlast tegen te gaan wordt het Nederlandse watersysteem de komende decennia flink aangepakt. ‘ Ruimte voor water’ is daarvan de kern. Tot 2015 moet naar schatting zo’n 25.000 hectare worden ingericht als waterbergingsgebied - ook in Nationale Landschappen. Cultuurhistorie kan daarbij een belangrijke rol spelen, blijkt uit verschillende initiatieven. Het Nederlandse waterbeheer is immers eeuwenlang - vaak noodgedwongen -gebaseerd geweest op ruimte voor water, simpelweg omdat het water niet volledig technisch beheerst kon worden. In laag Nederland kennen sommige polders nog zogenaamde buitenboezems, gebieden die in droge perioden dienst deden als grasland, maar bij veel regen onder water stonden. In hoog Nederland werden de beekdalen gebruikt als hooiland, natte extensieve graslanden, die bij hoog water onder liepen. Dergelijk ‘oud’ grondgebruik kan worden benut voor de moderne waterbergingsopgaven. Meer informatie en een uitgebreide lijst met projecten vindt u in ons webdossier ‘waterberging en beheer’. Ook vindt u interessante projectvoorbeelden op nederlandleeftmetwater.nl.
 

Natuurontwikkeling
In de Nationale Landschappen speelt niet alleen landschapsbehoud en -ontwikkeling een rol, maar ook natuurontwikkeling. Door een gerichte versterking van de condities voor soorten die (mede) afhankelijk zijn van het agrarisch cultuurlandschap wordt een deel van het soortenbeleid uitgevoerd, in samenhang met de realisatie van de Ecologische Hoofdstructuur. Als er in een (natuur)gebied ook sprake is van cultuurhistorische waarden, stelt de Nota Ruimte, moet de ontwikkeling van natuurlijke waarden daarop afgestemd zijn.
 
Inmiddels zijn er al diverse natuurontwikkelingsprojecten uitgevoerd waarbij cultuurhistorie, landschap en natuur succesvol met elkaar gecombineerd worden (zie bijvoorbeeld de gezamenlijk website van Staatsbosbeheer en de ROB). Maar in de praktijk blijken er ook knelpunten te zijn - onbekendheid, onkunde, geldgebrek of strijdige doelstellingen - waardoor cultuurhistorische waarden niet of onvoldoende benut worden. In 2005 is het projectbureau Belvedere daarom gestart met programma rond ‘cultuurbehoud door natuurontwikkeling’. Op onze website zijn diverse projectvoorbeelden te vinden. In de loop van 2006 komt er ook een webdossier over natuurontwikkeling beschikbaar.

Stellingen en linies
Twee van de twintig Nationale Landschappen zijn oude militaire stellingen: de Nieuwe Hollandse Waterlinie en de Stelling van Amsterdam. Het zijn grootschalige, langgerekte structuren in het landschap, die ondermeer bestaan uit complexen van forten, inundatiegebieden en waterstaatkundige kunstwerken. Voor de Nieuwe Hollandse Waterlinie is een ontwikkelingsvisie geschreven (het Linieperspectief) en zijn al tal van regionale uitwerkings- en uitvoeringsprojecten gestart, die de bijzondere cultuurhistorische en landschappelijke waarden van de Linie combineren met eigentijdse opgaven als recreatie, waterberging en wonen. Publiek-private samenwerking is een belangrijk aspect van de uitvoerings- en financieringsstrategie. Het projectbureau Nieuwe Hollandse Waterlinie ondersteunt dergelijke initiatieven. Op de websites www.hollandsewaterlinie.nl en www.stelling-van-amsterdam.nl vindt u hierover uitgebreide informatie.

Gerelateerde projecten:
Beleidsvisie cultuurhistorie Nationaal Park de Hoge Veluwe
Biografie van het Nationaal Landschap Drentse Aa
Biographical approach to landscape
Buiten Wonen
De Pleinen van Borsele
Halse Rug - over Romeinendiek en Landstraat
Inrichtings- en beheersplan Balloërveld
Inrichtings- en beheersplan Strubben Kniphorstbos
Inrichtings- en beheersplan Strubben Kniphorstbos II: publicatie
Kansen door kennis, ontsluiting van kastelen en borgterreinen
Landgoed Schovenhorst, de mooiste bomentuin van Nederland
Levende veldnamenatlas Drenthse Aa
Nationale Landschappen
Nieuw Gelders Arcadië
Publicatie Landschapsvisie Zuid-Limburg
Wierden en waarden in Middag-Humsterland

terug naar bovenInterviews en opinies
‘Je ziet duidelijke verschillen in de manier waarop de provincies met de Nationale Landschappen aan de slag zijn gegaan,’ zegt projectleider Willem Hellevoort van de directe Regionale Zaken van het Ministerie van LNV. Hellevoort coördineert namens LNV de contacten met de provincies over de uitwerking en uitvoering van het beleid voor de Nationale Landschappen. ‘Voor sommige gebieden zijn de begrenzing en het uitvoeringsprogramma al door Provinciale Staten vastgesteld, met het Limburgse Heuvelland als duidelijke koploper. In andere gebieden is nog maar net gestart met de planvorming.’
 
Ook het enthousiasme waarmee gemeenten, provincies en andere betrokkenen het nieuwe beleid voor de Nationale Landschappen begroet hebben, verschilt sterk. ‘Grofweg kan je stellen dat in gebieden waar in het verleden al veel rond landschapsbehoud gebeurde,’ zegt Hellevoort, ‘de Nationale Landschappen als een grote kans gezien wordt. In die gebieden waren al mensen actief bezig, was er vaak al een uitvoeringsorganisatie en waren gemeenten en provincie het in hoofdlijnen al eens over de te varen koers. Het beleid - en het extra geld - voor de Nationale Landschappen ondersteunen dat dan alleen nog maar. Het is dan ook betrekkelijk eenvoudig om een uitvoeringsprogramma te schrijven.’
 
In gebieden die nog weinig ervaring met landschapsbehoud hebben, is er over het algemeen meer scepsis, constateert Hellevoort. ‘Voor die gebieden is het nog erg zoeken naar de manier waarop het beleid kan worden ingevuld. Die gebieden zien vooralsnog vaak de nadelen van de aanwijzing als Nationaal Landschap, niet in de minste plaats omdat men de financiële bijdrage vanuit het rijk erg beperkt vindt. De planvorming en verdere invulling vraagt daar nog de nodige tijd en overtuigingskracht.’ 

Laag Holland, het gebied tussen het Noordzeekanaal en de lijn Alkmaar-Hoorn, is één van de twintig Nationale Landschappen. Het bestaat uit diepe droogmakerijen, zoals de Beemster en de Schermer, en de ‘hooggelegen’ veenweidegebieden.
 
Het gebied kent een lange traditie van gebiedsgericht werken. Waterland is sinds 1992 Waardevol Cultuurlandschap en sinds 2002 werken de overheden in het gebied samen bij de uitvoering van gebiedsgericht beleid, toen nog onder de naam ‘De Groene Long’. 

‘De ervaring met de gebiedsgerichte samenwerking betaalt zich nu terug,’ vertelt Michiel Tromp, één van de gebiedsmakelaars van Laag Holland. ‘We zijn al ver met de planvorming. Er lag al een breed gedragen visie over de toekomst van het gebied, waarin met name de afstemming tussen landbouw, natuur en waterbeheer in de veenweidegebieden essentieel is. Het uitvoeringsprogramma dat onder meer daaruit voortkwam is in concept gereed en de streekplanherziening waarin de gebiedsbegrenzing is opgenomen wordt waarschijnlijk in september vastgesteld.’
 
Een heikel punt daarin was het ‘migratiesaldo nul’. Daardoor zijn er bepaalde gebieden uit de begrenzing gelaten. Wel dragen de gemeenten allemaal bij aan de uitvoering - ook financieel - omdat Laag Holland het uitloopgebied is voor de bewoners van de stad.
Tromp: ‘Bij de invulling van het uitvoeringsprogramma worstelen we nog met de manier waarop we de kernkwaliteiten het best kunnen vertalen in projecten. We gaan nu vooral uit van initiatieven van onderop. Maar de vraag is of je op die manier wel alle kernkwaliteiten realiseert, en of je in sommige gevallen toch niet ook van bovenaf moet redeneren: dit en dit is wat we willen, en daar hebben we die en die projecten voor nodig’. 

Cultuurhistorie speelt een belangrijke rol in het uitvoeringsprogramma, vertelt Tromp. ‘Maar’, zegt hij, ‘we hebben tot nu toe vooral gewerkt aan de restauratie-achtige projecten. Nu willen we vooral ook kijken hoe we cultuurhistorie en de identiteit van het gebied als inspiratiebronnen kunnen benutten bij ruimtelijke ontwikkelingen en bij de beleving van het gebied. Want als je wilt dat mensen ook echt gaan werken aan de kwaliteit van hun gebied, moet je eerst zorgen dat ze er trots op zijn. Op onze eerste regiodag staan de cultuurhistorie en de streekidentiteit dan ook centraal.’

terug naar bovenAanvullende informatie

Op de website Milieu en NatuurCompendium kunt u het dossier Natuurlandschappen raadplegen

Op de website www.nationalelandschappen.nl vindt u veel actuele informatie over de 20 Nationale Landschappen.

Gerelateerde bibliotheek bestanden:
Contactpersonenlijst Nationale Landschappen
Landschappen met toekomstwaarde
Leestekens van het landschap


Een tweede jeugd voor boerderij en erf
Home . .

RO-dossier Nationale Landschappen
bijgewerkt op 29 juli 2009
Landschappen met toekomstwaarde 
Het Nederlandse cultuurlandschap is een essentieel onderdeel van ons cultureel erfgoed, mooi om in te wonen en van groot belang voor toerisme, recreatie en als vestigingsplaatsfactor voor bedrijven. Met de vaststelling van het beleid voor Nationale Landschappen in de Nota Ruimte is het behoud en de versterking van de meest waardevolle cultuurlandschappen stevig op de kaart gezet.
 
In de Nota Ruimte heeft het Rijk twintig Nationale Landschappen aangewezen. Dat zijn gebieden met internationaal zeldzame, unieke en nationaal kenmerkende landschappelijke kwaliteiten. Ze vertellen het verhaal van Nederland. De bijzondere natuurlijke, cultuurhistorische en recreatieve kwaliteiten van het landschap moeten behouden blijven en waar mogelijk versterkt worden. Sociaal-economische ontwikkeling blijft mogelijk, mits de kernkwaliteiten van het gebied worden versterkt (het zogenaamde ‘ja, mits’-principe). Binnen Nationale Landschappen, stelt de Nota Ruimte, is ’behoud door ontwikkeling’ daarom het uitgangspunt voor het ruimtelijk beleid - Belvedere ten voeten uit, dus.
 
De Raad voor het Landelijk Gebied (RLG) benadrukt in haar advies Vaste koers en lange adem uit 2005 dat de Nationale Landschappen niet als beperking gezien moeten worden, maar als een enorme kans, niet alleen voor natuur, landschap en cultuurhistorie, maar misschien nog wel meer voor recreatie, toerisme, maatschappelijk verantwoord ondernemen en wonen. ‘Niet het accent op beperkingen en verboden moet het uitgangspunt zijn’, stelt de Raad, ‘maar het accent op draagvlak, stimuleren, en op behoud in ontwikkeling. Het pakket maatregelen en het unieke karakter van de gebieden moeten per saldo een situatie opleveren waardoor bewoners én ondernemers liever in, dan buiten een Nationaal Landschap willen wonen en werken.’ 

Er liggen dus veel kansen. Maar tegelijkertijd staat de uitwerking en de uitvoering van het beleid voor de Nationale Landschappen nog in de kinderschoenen. Hoe combineer je economische ontwikkeling bijvoorbeeld met het behoud van de landschappelijke identiteit? En hoe zorg je ervoor dat woningbouw, een nieuwe stal, de herinrichting van een weg of de aanleg van een waterbergingsgebied het landschap niet aantasten maar juist versterken? En waarin onderscheiden deze ontwikkelingen zich van ruimtelijke ontwikkelingen elders in het land? Het zijn stuk voor stuk vraagstukken die veel kennis, creativiteit en (ontwerp)kwaliteit vragen. 

Gelukkig zijn er de afgelopen jaren al veel Belvedere-projecten in het landelijk gebied opgezet waarin ‘behoud door ontwikkeling’ centraal stond - vaak uitgevoerd in gebieden die nu een Nationaal Landschap zijn. In dit dossier vindt u naast achtergronden en tal van handige links ook voorbeelden van ruimtelijke ontwikkelingsprojecten die (voort)bouwen op cultuurhistorie en landschappelijke identiteit. Ze kunnen dienen als inspiratie bij de vormgeving en de verdere uitvoering van het beleid voor de Nationale Landschappen.

Achtergrond
In de Nota Ruimte is voor elk Nationaal Landschap in het kort weergegeven welke bijzondere kwaliteiten het gebied heeft. Provincies werken deze zogeheten kernkwaliteiten uit in hun Streekplan. Daarin worden ook de exacte grenzen van de Nationale Landschappen vastgelegd, want het Rijk heeft deze niet gedetailleerd aangegeven, met uitzondering van het Groene Hart. De Belvedere-publicatie Landschappen met Toekomstwaarde - Cultuurhistorische karakteristiek van de nationale landschappen, waarin de kernkwaliteiten verder zijn uitgewerkt, kan daarbij een hulpmiddel zijn.
 
De kernkwaliteiten van Nationale Landschappen zijn bepalend voor de ruimtelijke ontwikkelingsmogelijkheden. Uitgangspunt is - zoals gezegd - dat ontwikkeling door kan gaan of zelfs geïntensiveerd kan worden, als die kwaliteiten worden behouden of versterkt (het zogenaamde ‘ja, mits’-principe). Woningbouw is binnen Nationale Landschappen alleen toegestaan voor de opvang van de eigen bevolkingsgroei, het zogenaamde ‘migratiesaldo nul’. Ook is er ruimte voor regionale en lokale bedrijvigheid, inclusief niet-grondgebonden landbouwbedrijven. Grootschalige verstedelijkingslocaties en bedrijventerreinen, nieuwe grootschalige glastuinbouwlocaties en nieuwe grootschalige infrastructurele projecten zijn niet toegestaan. Over de ontwikkelingsmogelijkheden voor woningbouw en bedrijvigheid - en de locaties daarvoor - maken provincies afspraken met de gemeenten.
 
De Nationale Landschappen zijn onderdeel van de zogenaamde Ruimtelijke Hoofdstructuur, waar bijvoorbeeld ook de Ecologische Hoofdstructuur onder valt. De aanwijzing van de Nationale Landschappen in de Nota Ruimte is een planologische kernbeslissing; het betekent dat provincies verplicht zijn de gebieden als Nationaal Landschap te begrenzen. Het betekent ook dat het Rijk meebetaalt aan de aanleg, het onderhoud en beheer van landschapselementen en recreatieve voorzieningen in de Nationale Landschappen (zie financiering).

Gebiedsindeling
De twintig Nationale Landschappen (zie kaart bovenaan dit dossier) hebben een totale oppervlakte van zo’n 800.000 ha. Het gaat om het Groene Hart, Middag- Humsterland, Noordelijke Wouden, Hoekse Waard, Zuid-West Friesland, Drentsche Aa, IJsseldelta, Noord-Oost Twente, Graafschap, Achterhoek, Gelderse Poort, Veluwe, Rivierengebied, Laag-Holland, Zuid-West Zeeland, Groene Woud, Heuvelland, Arkenheen-Eemland, de Nieuwe Hollandse Waterlinie en de Stelling van Amsterdam. 

Een deel van die gebieden was eerder al aangewezen als ’Waardevol Cultuurlandschap’ (WCL), waar met name via stimuleringsmaatregelen aan de kwaliteit van het landschap gewerkt werd. 

Omdat cultuurhistorie een essentieel aspect is van de landschappelijke kwaliteit, spreekt het bijna voor zich dat negentien van de twintig Nationale Landschappen geheel of gedeeltelijk samenvallen met Belvedere-gebieden; alleen de Hoeksche Waard is geen Belvederegebied. Het betekent kortom, dat er in veel Nationale Landschappen al eerder aan het behoud van de landschappelijke kwaliteit werd gewerkt. Met de introductie van de Nationale Landschappen is dat beleid versterkt. De Belvederegebieden die zijn opgenomen in de Nationale Landschappen hebben hiermee een formele status gekregen.

Uitvoeringsprogramma’s
De provincies zijn verantwoordelijk voor de regie en de uitvoering van het beleid voor de Nationale Landschappen, net als bij andere vormen van gebiedsgericht beleid. Om de uitvoering te structureren zetten de provincies samen met partijen in de streek - zoals gemeenten, waterschappen, terreinbeheerders en maatschappelijke partijen - voor ieder Nationaal Landschap een integraal uitvoeringsprogramma op voor de periode 2007-2013. In die integrale uitvoeringsprogramma’s is specifiek aandacht voor grondgebonden landbouw, natuur, cultuurhistorie, toerisme en recreatie, en voor de veenweideproblematiek (voor zover dit van toepassing is). De uitvoeringsprogramma’s zijn de basis voor de financiële afspraken tussen provincie en Rijk. Met provincies is afgesproken dat de uitvoeringsprogramma’s en de begrenzingen medio 2006 gereed zijn.

terug naar bovenBeleid & regels
De hoofdlijnen van het beleid voor de Nationale Landschappen zijn vastgelegd in de Nota Ruimte. De provincies nemen een gedetailleerde begrenzing van de Nationale Landschappen op in hun streekplannen en werken daarin de kernkwaliteiten uit. Deze zijn leidend voor de ruimtelijke ontwikkeling. Het Rijk zal het streekplan hierop toetsen. 

Ook moeten de provincies in de vorm van een planologisch kader aangeven hoe zij het bouwen in het buitengebied voor wonen en werken zullen combineren met maatregelen voor groen (en water), zodat er per saldo ook een meerwaarde voor natuur, landschap en cultuurhistorie ontstaat. Provincies en gemeenten kunnen hierop inspelen door bijvoorbeeld vrijkomende (agrarische) bebouwing een woonfunctie te geven of door de vorming van nieuwe landgoederen en buitenplaatsen. Ook kunnen nieuwe woningen worden gebouwd in ruil voor de sloop van stallen (‘ruimte voor ruimte’). 

Gemeenten verwerken het provinciale beleid voor de Nationale Landschappen in hun bestemmingsplan. Het bestemmingsplan is het ruimtelijk plan waaraan burgers direct gebonden zijn. Door deze getrapte beleidsvorming kan het beleid per gemeente, Nationaal Landschap en provincie sterk verschillen. 

De Agenda Vitaal Platteland (AVP) van het ministerie van LNV en het bijbehorende Meerjarenprogramma Vitaal Platteland vormen het financiële kader voor de uitvoering van het beleid (zie financiering). Meer informatie over de Nationale Landschappen en het AVP vindt u op de website van het Ministerie van LNV.

Naast het specifieke beleid voor de Nationale Landschappen blijft er in deze gebieden veel regulier bestaand (ruimtelijk) beleid gelden. Dat geldt onder andere voor nationale (ruimtelijke) kaders als de Ecologische Hoofdstructuur, en voor het provinciale (ruimtelijke) beleid, zoals het provinciale water- of cultuurhistorische beleid. Sommige provincies hebben instrumenten ontwikkeld waarbij (landschappelijke) eisen gesteld kunnen worden aan nieuwbouw of uitbreiding van bedrijvigheid en/of woningen in het buitengebied. De provincie Limburg heeft bijvoorbeeld het BOM+-instrument ontwikkeld (Bouwkavel Op Maat). Principe is dat uitbreiding (van bedrijven) mag, mits de eigenaar een tegenprestatie levert op het gebied van landschap, natuur of milieu, zoals de aanleg van een houtwal. Een andere bekend voorbeeld is de Positieve Lijst van de provincie Zeeland, waarbij de provincie (neven)activiteiten op agrarische bedrijven in het buitengebied aangeeft die volgens de provincie passen binnen het karakter van het gebied; andere nevenactiviteiten worden geweerd. Aan het toestaan van (gewenste) nevenactiviteiten worden kwaliteitseisen en/of investering in de kwaliteit van het landschap gesteld. 

Meer informatie over het provinciale en gemeentelijke beleid rond bouwen in het buitengebied kunt u verkrijgen via de RO-afdelingen van uw provincie of gemeente.

terug naar bovenFinancieringen
Voor het Rijk zijn de Nationale Landschappen extra aandachtsgebieden. Het Rijk betaalt dan ook mee aan de acties die staan beschreven in de integrale uitvoeringsprogramma’s. Daar is veel geld voor nodig. De Raad voor het Landelijk Gebied (RLG) becijferde in haar advies Vaste koers en lange adem dat er jaarlijks 225 miljoen euro nodig is voor beheer en ontwikkeling van de Nationale Landschappen. Dat geld is gedeeltelijk beschikbaar. Volgens de RLG is het benodigde bedrag bijeen te brengen door medefinanciering vanuit de EU, provincies, gemeenten, maatschappelijke organisaties en de private sector.
 
Het Rijk zal vanaf 2007 vanuit het Investeringsbudget Landelijk Gebied (ILG) een bijdrage leveren aan investeringen en beheerskosten. Voor elk Nationaal Landschap worden hierover financiële afspraken gemaakt tussen het Rijk en de provincies. Basis voor die afspraken zijn de integrale uitvoeringsprogramma’s (zie boven). Eind 2006, als de uitvoeringsprogramma’s zijn vastgesteld en de financiële afspraken tussen Rijk en provincies zijn gemaakt, wordt duidelijk hoeveel geld er daadwerkelijk nodig is. De financiële afspraken gaan over de periode 2007-2013. 

Omdat het Belvedere-beleid sterk aansluit op de filosofie voor de Nationale Landschappen - en omdat het Rijk haar middelen wil ‘ontschotten’ - is besloten om een deel van de Belvedere-gelden (dat eerder via projectsubsidies werd uitgegeven) nu via het ILG aan de Nationale Landschappen ter beschikking te stellen. Het gaat daarbij in 2005 en 2006 om jaarlijks 2,25 miljoen euro. Of voor de jaren vanaf 2007 ook Belvedere-gelden worden ingezet wordt in september 2006 besloten. Dit hangt onder andere af van de besteding van het geld tot nu toe. Vooruitlopend op het ILG heeft het Rijk voor de periode 2005-2007 in totaal 30 miljoen euro gereserveerd, exclusief de jaarlijkse 2,25 miljoen ‘Belvedere-gelden’.
 
Meer informatie over het Investeringsbudget Landelijk Gebied (ILG), de uitvoeringscontracten en gebiedsgericht beleid (waarvan het beleid voor de Nationale Landschappen een onderdeel is) vindt u op www.gebiedsgerichtbeleid.nl.

Naast de directe financieringsmogelijkheden vanuit overheden, zijn er de laatste jaren in het kader van een meer ontwikkelingsgerichte benadering (planologische) instrumenten ontwikkeld waarmee kwaliteitsverbetering in het landelijk gebied gerealiseerd kan worden, zonder dat daarvoor extra geld nodig is. Denk bijvoorbeeld aan de Ruimte voor Ruimte regelingen: met de winst uit woningbouw (of functiewijziging) in het landelijk gebied kunnen ontsierende stallen worden gesloopt. Ook kunnen uit ‘rode’ ontwikkelingen landschappelijke, cultuurhistorische, ecologische of waterprojecten worden (mede)gefinancierd, ‘rood voor groen’ in vakjargon. Daarnaast bekijkt LNV of investeringen in en inkomsten uit Nationale Landschappen fiscaal aantrekkelijk gemaakt kunnen worden. 

Een speciaal aandachtspunt binnen de Nationale Landschappen is het beheer van agrarische gronden. Juist in de Nationale Landschappen is de (grondgebonden) landbouw van oudsher één van de belangrijkste beeldbepalers en (economische) dragers. Maar tegelijkertijd zijn de productieomstandigheden in de Nationale Landschappen over het algemeen slechter dan elders. Voor landbouwbedrijven die moeten produceren onder zware natuurlijke of landschappelijke handicaps, zal het rijk bekijken of (en hoe) hiervoor ook de Europese Plattelandsontwikkelingsgelden (POP-gelden) ingezet kunnen worden; uiterlijk eind 2006 beslist Brussel hierover. 

Om het opstellen van een toegesneden, regionale regeling voor de vergoeding van landschapsbeheer en -onderhoud te vereenvoudigen, werken het ministerie van LNV en de provincies samen aan de ontwikkeling van de Catalogus Groenblauwe Diensten, die in 2007 van kracht moet worden. Groenblauwe diensten zijn werkzaamheden op het gebied van natuur, water, landschap en cultuurhistorie die de kwaliteit en toegankelijkheid van het landelijk gebied verhogen, en méér inhouden dan wat wettelijk al verplicht is. De Catalogus Groenblauwe Diensten wordt een totaallijst van in Brussel goedgekeurde maatregelen met maximale vergoedingen voor die maatregelen. Met de maatregelen uit de Catalogus kan een regionale organisatie of overheid zelf eenvoudig een nieuwe (regionale) subsidieregelingen ontwerpen, zonder een afzonderlijke gang naar Brussel (óf met een versnelde goedkeuringsprocedure).

In diverse gebieden bestaan overigens al (provinciale) fondsen voor het (agrarisch) beheer van landschap en cultuurhistorie, zoals in het Brabantse project Landinrichting St. Oedenrode en in Midden-Delfland. Op www.nederlandmooi.nl zijn deze en andere inspirerende initiatieven en financieringsconstructies terug te vinden. Op de site is ondermeer aandacht voor sponsoring (van landschapsbeheer en -onderhoud) door het bedrijfsleven en voor regionale (burger)initiatieven rond de vorming van landschapsfondsen. Ook bevat de site voorbeelden van maatregelen die gemeenten, provincies en andere organisaties kunnen nemen om boeren in hun streek te ondersteunen bij het beheer van het landschap.

terug naar bovenBetrokken partijen
Bij (de vormgeving en uitvoering van) het beleid voor de Nationale Landschappen zijn veel partijen betrokken. In de eerste plaats zijn dat natuurlijk de provincies, die verantwoordelijk zijn voor de uitwerking en de uitvoering van het beleid. De provincie voert de regie, net als bij andere vormen van gebiedsgericht beleid. 

De nadere begrenzing en de uitvoeringsplannen voor de Nationale Landschappen worden in eerste instantie opgesteld door provincie en gemeentes samen. Iedere provincie heeft inmiddels coördinatoren aangesteld, en vanuit de ministeries van LNV en VROM zijn er regionale contactpersonen aangewezen, die de Nationale Landschappen ondersteunen (zie de link naar de contactpersonenlijst onderaan dit dossier). Ook vanuit de Rijksdienst voor de Monumentenzorg (RDMZ) en de Rijksdienst voor Oudheidkundig Bodemonderzoek (ROB) zijn adviseurs bij de planvorming en uitvoering betrokken. De namen van deze medewerkers kunt u ook vinden in de contactpersonenlijst onderaan dit dossier. Het is de bedoeling dat er voor ieder Nationaal Landschap een uitvoeringsorganisatie komt.
 
Bij de daadwerkelijke uitvoering zullen naast provincie en gemeenten ook veel andere partijen betrokken zijn. In de eerste plaats waterschappen, terreinbeheerders, recreatieschappen, provinciale landschapsbeheerorganisaties, steunpunten cultureel erfgoed, ondernemers en grondeigenaren - vaak boeren en landgoedeigenaren. En daarnaast natuurlijk ook de bewoners. 

Uit de projectvoorbeelden (zie onder) blijkt dat het zeer vruchtbaar kan zijn om bij de planvorming en -uitwerking ook bewoners en bezoekers te betrekken, die hun (woon)wensen, belangen en (cultuurhistorische en landschappelijke) gebiedskennis kunnen inbrengen. Ook de inbreng van ontwerpers en kunstenaars kan vruchtbaar zijn, doordat ze ruimtelijke opgaven op een prikkelende manier weten te koppelen aan de beleving van een gebied. De kwaliteit van, en het draagvlak voor de plannen kan daardoor vergroot worden.

Betrokken partijen:
De Landschappen
Dienst Landelijk gebied
GLTO - Gewestelijke Land- en Tuinbouworganisatie
Noordelijk Land- en Tuinbouworganisatie NLTO
Platform Landschap en Cultuurhistorie
Rijksdienst voor het Cultureel Erfgoed
Staatsbosbeheer
Waterschappen
Zuidelijk Land- en Tuinbouworganisatie ZLTO

terug naar bovenProjecten
Voor de periode 2005-2006 kunnen de provincies al projecten voor hun Nationale Landschappen ter financiering bij het Rijk indienen. In 2005 zijn er nauwelijks projecten ingediend, met name omdat het Rijk toen voor de Nationale Landschappen nog geen regeling en toetsingskader beschikbaar had. Maar voor 2006 staan wel concrete uitvoeringsprojecten op de rol. Uit een eerste inventarisatie blijkt dat er daarbij veel aandacht uitgaat naar projecten op het vlak van voorlichting en educatie, recreatieve gebiedsontwikkeling (zoals de aanleg van routes en transferia), natuur (de aanleg van ecopassages, landschapselementen en ecologische verbindingen) en identiteit (zoals de organisatie van streekfestivals). Ook cultuurhistorie krijgt aandacht, meestal als onderdeel van grotere projecten. Twintig procent van het uitvoeringsbudget is bestemd voor cultuurhistorie.
 
‘Behoud door ontwikkeling’ lijkt in de uitvoeringsprogramma’s nog minder vertegenwoordigd te zijn. Dat betekent niet dat er geen inspirerende projectvoorbeelden op dat vlak zijn - integendeel zelfs. Veel Belvedere-projecten gaan juist in op ruimtelijke ontwikkelingsvraagstukken in combinatie met het versterken van de landschappelijke en cultuurhistorische kwaliteiten in het landelijk gebied. Dat kunnen projecten zijn die met een Belvedere-subsidie zijn uitgevoerd of projecten die (zonder Belvedere-subsidie) ‘behoud door ontwikkeling’ in praktijk hebben gebracht. Op onze website vindt u daar veel voorbeelden van die - voor wat betreft het landelijk gebied - grofweg verdeeld kunnen worden in de volgende ruimtelijke opgaven.

Bouwen in het buitengebied
Een van de belangrijkste - en meest gevoelige - thema’s binnen de Nationale Landschappen is ongetwijfeld bouwen in het buitengebied (voor wonen én werken). Bouwen mag, zoals gezegd, om aan de eigen woningbehoefte te voldoen. Maar het mag niet leiden tot vergaande verstening en de manier waarop gebouwd wordt moet een gebiedsspecifieke invulling krijgen. Ook moeten ‘rode’ ontwikkelingen bijdragen aan investeringen in landschap, natuur of water, zodat er per saldo ook een meerwaarde voor groen ontstaat.
 
Inmiddels zijn overal in Nederland zeer uiteenlopende ervaringen opgedaan met streekeigen nieuwbouw. Wat de initiatieven bindt is de gedachte dat nieuwbouw het landschap niet hoeft aan te tasten (zoals vaak wordt gedacht) maar het juist kan versterken, door voort te bouwen op de landschappelijke identiteit of cultuurhistorie te gebruiken als inspiratiebron. Aanknopingspunten liggen op twee niveaus, dat van de streekeigen architectuur en erfinrichting (denk aan kleur- en materiaalgebruik, detaillering, beplanting) en dat van de landschappelijke inbedding (zoals de geveloriëntatie en het voortbouwen op bestaande bebouwingspatronen). Meer informatie en een uitgebreide lijst met projecten vindt u in ons webdossier ‘bouwen in het buitengebied’.

Herbestemming agrarische gebouwen en verbreding
De Nota Ruimte noemt het benutten van vrijkomende agrarische bebouwing expliciet als strategie om aan de woning- en bedrijfsbehoefte in Nationale Landschappen te voldoen. Dat is logisch: jaarlijks stoppen zo’n vierduizend boeren met hun bedrijf. Door vrijkomende boerderijen te benutten hoeft er minder gebouwd te worden, wordt de regionale economie gestimuleerd en wordt waardevol cultureel erfgoed behouden. Ook het toestaan van nieuwe nevenfuncties op boerenbedrijven (zoals een minicamping of de verkoop van streekproducten) kan zorgen voor nieuwe economische impulsen én het behoud van een waardevolle boerderij. 

Veel provincies hebben inmiddels hun beleid voor vrijkomende agrarische bebouwing zo vernieuwd dat er meer mogelijkheden zijn, terwijl de ruimtelijke kwaliteit versterkt wordt. En op veel plekken werken gemeenten en organisaties actief aan het enthousiasmeren van (nieuwe) eigenaren, via voorlichting, advisering en subsidies. Meer informatie en een uitgebreide lijst met projecten vindt u in ons webdossier ‘herbestemming agrarische bebouwing’.

Regionale waterberging
Om op de gevolgen van de klimaatverandering voorbereid te zijn en wateroverlast tegen te gaan wordt het Nederlandse watersysteem de komende decennia flink aangepakt. ‘ Ruimte voor water’ is daarvan de kern. Tot 2015 moet naar schatting zo’n 25.000 hectare worden ingericht als waterbergingsgebied - ook in Nationale Landschappen. Cultuurhistorie kan daarbij een belangrijke rol spelen, blijkt uit verschillende initiatieven. Het Nederlandse waterbeheer is immers eeuwenlang - vaak noodgedwongen -gebaseerd geweest op ruimte voor water, simpelweg omdat het water niet volledig technisch beheerst kon worden. In laag Nederland kennen sommige polders nog zogenaamde buitenboezems, gebieden die in droge perioden dienst deden als grasland, maar bij veel regen onder water stonden. In hoog Nederland werden de beekdalen gebruikt als hooiland, natte extensieve graslanden, die bij hoog water onder liepen. Dergelijk ‘oud’ grondgebruik kan worden benut voor de moderne waterbergingsopgaven. Meer informatie en een uitgebreide lijst met projecten vindt u in ons webdossier ‘waterberging en beheer’. Ook vindt u interessante projectvoorbeelden op nederlandleeftmetwater.nl.
 

Natuurontwikkeling
In de Nationale Landschappen speelt niet alleen landschapsbehoud en -ontwikkeling een rol, maar ook natuurontwikkeling. Door een gerichte versterking van de condities voor soorten die (mede) afhankelijk zijn van het agrarisch cultuurlandschap wordt een deel van het soortenbeleid uitgevoerd, in samenhang met de realisatie van de Ecologische Hoofdstructuur. Als er in een (natuur)gebied ook sprake is van cultuurhistorische waarden, stelt de Nota Ruimte, moet de ontwikkeling van natuurlijke waarden daarop afgestemd zijn.
 
Inmiddels zijn er al diverse natuurontwikkelingsprojecten uitgevoerd waarbij cultuurhistorie, landschap en natuur succesvol met elkaar gecombineerd worden (zie bijvoorbeeld de gezamenlijk website van Staatsbosbeheer en de ROB). Maar in de praktijk blijken er ook knelpunten te zijn - onbekendheid, onkunde, geldgebrek of strijdige doelstellingen - waardoor cultuurhistorische waarden niet of onvoldoende benut worden. In 2005 is het projectbureau Belvedere daarom gestart met programma rond ‘cultuurbehoud door natuurontwikkeling’. Op onze website zijn diverse projectvoorbeelden te vinden. In de loop van 2006 komt er ook een webdossier over natuurontwikkeling beschikbaar.

Stellingen en linies
Twee van de twintig Nationale Landschappen zijn oude militaire stellingen: de Nieuwe Hollandse Waterlinie en de Stelling van Amsterdam. Het zijn grootschalige, langgerekte structuren in het landschap, die ondermeer bestaan uit complexen van forten, inundatiegebieden en waterstaatkundige kunstwerken. Voor de Nieuwe Hollandse Waterlinie is een ontwikkelingsvisie geschreven (het Linieperspectief) en zijn al tal van regionale uitwerkings- en uitvoeringsprojecten gestart, die de bijzondere cultuurhistorische en landschappelijke waarden van de Linie combineren met eigentijdse opgaven als recreatie, waterberging en wonen. Publiek-private samenwerking is een belangrijk aspect van de uitvoerings- en financieringsstrategie. Het projectbureau Nieuwe Hollandse Waterlinie ondersteunt dergelijke initiatieven. Op de websites www.hollandsewaterlinie.nl en www.stelling-van-amsterdam.nl vindt u hierover uitgebreide informatie.

Gerelateerde projecten:
Beleidsvisie cultuurhistorie Nationaal Park de Hoge Veluwe
Biografie van het Nationaal Landschap Drentse Aa
Biographical approach to landscape
Buiten Wonen
De Pleinen van Borsele
Halse Rug - over Romeinendiek en Landstraat
Inrichtings- en beheersplan Balloërveld
Inrichtings- en beheersplan Strubben Kniphorstbos
Inrichtings- en beheersplan Strubben Kniphorstbos II: publicatie
Kansen door kennis, ontsluiting van kastelen en borgterreinen
Landgoed Schovenhorst, de mooiste bomentuin van Nederland
Levende veldnamenatlas Drenthse Aa
Nationale Landschappen
Nieuw Gelders Arcadië
Publicatie Landschapsvisie Zuid-Limburg
Wierden en waarden in Middag-Humsterland

terug naar bovenInterviews en opinies
‘Je ziet duidelijke verschillen in de manier waarop de provincies met de Nationale Landschappen aan de slag zijn gegaan,’ zegt projectleider Willem Hellevoort van de directe Regionale Zaken van het Ministerie van LNV. Hellevoort coördineert namens LNV de contacten met de provincies over de uitwerking en uitvoering van het beleid voor de Nationale Landschappen. ‘Voor sommige gebieden zijn de begrenzing en het uitvoeringsprogramma al door Provinciale Staten vastgesteld, met het Limburgse Heuvelland als duidelijke koploper. In andere gebieden is nog maar net gestart met de planvorming.’
 
Ook het enthousiasme waarmee gemeenten, provincies en andere betrokkenen het nieuwe beleid voor de Nationale Landschappen begroet hebben, verschilt sterk. ‘Grofweg kan je stellen dat in gebieden waar in het verleden al veel rond landschapsbehoud gebeurde,’ zegt Hellevoort, ‘de Nationale Landschappen als een grote kans gezien wordt. In die gebieden waren al mensen actief bezig, was er vaak al een uitvoeringsorganisatie en waren gemeenten en provincie het in hoofdlijnen al eens over de te varen koers. Het beleid - en het extra geld - voor de Nationale Landschappen ondersteunen dat dan alleen nog maar. Het is dan ook betrekkelijk eenvoudig om een uitvoeringsprogramma te schrijven.’
 
In gebieden die nog weinig ervaring met landschapsbehoud hebben, is er over het algemeen meer scepsis, constateert Hellevoort. ‘Voor die gebieden is het nog erg zoeken naar de manier waarop het beleid kan worden ingevuld. Die gebieden zien vooralsnog vaak de nadelen van de aanwijzing als Nationaal Landschap, niet in de minste plaats omdat men de financiële bijdrage vanuit het rijk erg beperkt vindt. De planvorming en verdere invulling vraagt daar nog de nodige tijd en overtuigingskracht.’ 

Laag Holland, het gebied tussen het Noordzeekanaal en de lijn Alkmaar-Hoorn, is één van de twintig Nationale Landschappen. Het bestaat uit diepe droogmakerijen, zoals de Beemster en de Schermer, en de ‘hooggelegen’ veenweidegebieden.
 
Het gebied kent een lange traditie van gebiedsgericht werken. Waterland is sinds 1992 Waardevol Cultuurlandschap en sinds 2002 werken de overheden in het gebied samen bij de uitvoering van gebiedsgericht beleid, toen nog onder de naam ‘De Groene Long’. 

‘De ervaring met de gebiedsgerichte samenwerking betaalt zich nu terug,’ vertelt Michiel Tromp, één van de gebiedsmakelaars van Laag Holland. ‘We zijn al ver met de planvorming. Er lag al een breed gedragen visie over de toekomst van het gebied, waarin met name de afstemming tussen landbouw, natuur en waterbeheer in de veenweidegebieden essentieel is. Het uitvoeringsprogramma dat onder meer daaruit voortkwam is in concept gereed en de streekplanherziening waarin de gebiedsbegrenzing is opgenomen wordt waarschijnlijk in september vastgesteld.’
 
Een heikel punt daarin was het ‘migratiesaldo nul’. Daardoor zijn er bepaalde gebieden uit de begrenzing gelaten. Wel dragen de gemeenten allemaal bij aan de uitvoering - ook financieel - omdat Laag Holland het uitloopgebied is voor de bewoners van de stad.
Tromp: ‘Bij de invulling van het uitvoeringsprogramma worstelen we nog met de manier waarop we de kernkwaliteiten het best kunnen vertalen in projecten. We gaan nu vooral uit van initiatieven van onderop. Maar de vraag is of je op die manier wel alle kernkwaliteiten realiseert, en of je in sommige gevallen toch niet ook van bovenaf moet redeneren: dit en dit is wat we willen, en daar hebben we die en die projecten voor nodig’. 

Cultuurhistorie speelt een belangrijke rol in het uitvoeringsprogramma, vertelt Tromp. ‘Maar’, zegt hij, ‘we hebben tot nu toe vooral gewerkt aan de restauratie-achtige projecten. Nu willen we vooral ook kijken hoe we cultuurhistorie en de identiteit van het gebied als inspiratiebronnen kunnen benutten bij ruimtelijke ontwikkelingen en bij de beleving van het gebied. Want als je wilt dat mensen ook echt gaan werken aan de kwaliteit van hun gebied, moet je eerst zorgen dat ze er trots op zijn. Op onze eerste regiodag staan de cultuurhistorie en de streekidentiteit dan ook centraal.’

terug naar bovenAanvullende informatie

Op de website Milieu en NatuurCompendium kunt u het dossier Natuurlandschappen raadplegen

Op de website www.nationalelandschappen.nl vindt u veel actuele informatie over de 20 Nationale Landschappen.

Gerelateerde bibliotheek bestanden:
Contactpersonenlijst Nationale Landschappen
Landschappen met toekomstwaarde
Leestekens van het landschap