Home . .
RO-dossier Natuurontwikkeling
| bijgewerkt op 12 juli 2007 | Cultuurhistorie Natuurlijk! De ontwikkeling en het beheer van de Ecologische Hoofdstructuur (EHS) is een belangrijke peiler onder het Nederlandse natuurbeleid. De EHS is het samenhangende netwerk van natuurgebieden. Het omvat de belangrijke natuurterreinen in Nederland en de (robuuste) verbindingen tussen die gebieden, samen zo’n 750.000 ha. Een groot deel van de EHS wordt gevormd door bestaande bos- en natuurgebieden.
De EHS moet in 2018 klaar zijn. Om de EHS te realiseren moet nog zo’n 80.000 ha worden toegevoegd aan het huidige areaal natuurgebieden. Bovendien moet nog zo’n 100.000 ha worden ingericht. Samen gaat het daarmee om bijna 10% van het Nederlandse landbouwareaal dat het komende decennium op de schop gaat - een enorme klus dus, met grote ruimtelijke gevolgen. Vooral landbouwgronden worden omgevormd tot natuurgebied, en het is dan ook niet meer dan logisch dat er in die nieuwe natuurgebieden vaak veel cultuurhistorische waarden aanwezig zijn. Denk bijvoorbeeld aan houtwallen, sloten, paden, bolle akkers, ontginningspatronen, archeologische waarden of monumenten. Maar ook binnen bestaande natuurgebieden - die soms omgevormd worden om aan bepaalde natuurwaarden of maatschappelijke doelen te voldoen - zijn veel fysieke herinneringen te vinden aan eerder menselijk gebruik.
Met name in de jaren ’90, toen het idee van natuurontwikkeling juist was geïntroduceerd, is bij de inrichting van nieuwe natuurgebieden sterk de nadruk gelegd op de natuurdoelstellingen, waarbij veel aandacht was voor procesgerichte of ‘wildernis’-natuur - natuur waarbij natuurlijke processen meer dan voorheen de ruimte kregen. Bekende voorbeelden zijn de Oostvaardersplassen in Flevoland en Plan Ooievaar voor het rivierengebied. Cultuurhistorie kreeg in die plannen minder aandacht. Tegenwoordig is er groeiende aandacht voor cultuurhistorie bij natuurbeheer en -ontwikkeling. Ook in het rijksbeleid is dat terug te vinden, zoals in de Nota Ruimte (zie bij beleid en regels). Er zijn veel ‘natuurlijke’ kansen om cultuurhistorie te combineren met natuurontwikkeling. Als een gebied in het kader van natuurontwikkeling op de schop gaat is het vaak relatief eenvoudig om ook de ontwikkeling van de cultuurhistorie mee te nemen in het plan. Dat is een positieve ontwikkeling. Door cultuurhistorie op een uitgekiende manier te benutten kunnen de natuurdoelen gerealiseerd worden terwijl het landschap leesbaar blijft. Zo krijgt een natuurgebied een eigen identiteit. Dat maakt het interessanter voor (de groeiende groep cultuurminnende) recreanten.
Toch blijkt de combinatie van cultuurhistorie en natuurontwikkeling in de praktijk vaak lastig te zijn. Natuurontwikkeling met primaire ecologische doelstellingen staat soms op gespannen voet met de cultuurhistorische waarden in het gebied. Ook is cultuurhistorisch natuurbeheer vaak duurder dan ‘gewoon’ natuurbeheer, is er gebrek aan geschikte cultuurhistorische kennis en is het vaak lastig om (wel aanwezige) kennis te vertalen naar inrichtings- en beheerskeuzen. Gelukkig zijn er de laatste jaren op verschillende plekken initiatieven en concrete projecten van de grond gekomen waarbij cultuurhistorie en natuurontwikkeling bij elkaar worden gebracht. In dit dossier leest u meer over de kansen die dat biedt en de vragen die nog beantwoord moeten worden. Ook vindt u (links naar) projectvoorbeelden, waarin natuurontwikkeling is gekoppeld aan de versterking van het culturele erfgoed.
Achtergrondinformatie Tot 1990 was het Nederlandse natuurbeleid voornamelijk gericht op het behoud en de bescherming van bestaande natuurgebieden en waardevolle agrarische natuur, door aankoop en via agrarisch natuurbeheer. In 1990 werd in het Natuurbeleidsplan voor een meer offensieve benadering gekozen, waarin het veiligstellen en de ontwikkeling van de Ecologische Hoofdstructuur (EHS) centraal stond. De EHS was - en is - een belangrijk (ruimtelijk) instrument van het rijk voor het instandhouden en vergroten van de biodiversiteit. Nieuw onderdeel van het natuurbeleid was het concept van natuurontwikkeling: bestaande landbouwgrond werd (ook in planologisch opzicht) omgezet in natuur. Aanvankelijk lag de nadruk sterk op het realiseren van natuurdoelen en was er (zeker in het publieke debat) veel aandacht voor procesgerichte of ‘wildernis’-natuur waarbij natuurlijke processen de ruimte kregen.
Er bestaat niet één soort natuurontwikkeling. Bij natuurontwikkeling gaat het om verschillende ruimtelijke opgaven, waarbij verschillende partijen betrokken zijn en waarbij verschillende ruimtelijke en cultuurhistorische waarden in het geding zijn. Belangrijke natuurontwikkelingsopgaven zijn de aanleg van (natte) ecologische verbindingszones (vaak in beekdalen, gecombineerd met beekherstel, hermeandering, recreatie en waterberging), de aanleg van Robuuste Verbindingen (meestal een onderdeel van complexe ruimtelijke inrichtingsprojecten), Ruimte voor de Rivier (in combinatie met riviergebonden natuurontwikkeling), natuurcompensatie, Groen in en Om de Stad (GIOS, met een sterke recreatieve doelstelling), en de ontwikkeling van (nieuwe) landgoederen. Soms wordt het woord natuurontwikkeling ook gebruikt voor ingrepen in gebieden die al natuur zijn. Het gaat dan om het treffen van inrichtings- en beheersmaatregelen waardoor de ecologische kwaliteit vergroot wordt en de natuur meer kansen krijgt. Deze vorm van natuurontwikkeling wordt ook wel ’ontwikkelingsbeheer’ genoemd.
De laatste jaren is er groeiende aandacht voor cultuurhistorie in het natuurbeheer, in het beleid en ook in de praktijk. Dat is ondermeer terug te zien in concrete projecten (zie bij projecten) en in verschillende initiatieven rond ‘cultuurhistorisch natuurbeheer’. Zo hebben alle terreinbeherende organisaties inmiddels beleid geformuleerd voor hoe zij om willen gaan met cultuurhistorie op hun terreinen. Staatsbosbeheer en het Rijksinstituut voor Oudheidkundig Bodemonderzoek (ROB) werken samen op het vlak van cultuurhistorie en natuurbeheer, en Landschapsbeheer Nederland en de Stichting Probos hebben beiden handboeken uitgebracht over het beheer van cultuurhistorische elementen op natuurterreinen. Niet alleen het gewijzigde overheidsbeleid en de toenemende maatschappelijke aandacht zijn hiervan de oorzaak, maar ook het besef onder terreinbeherende organisaties dat cultuurhistorie in landschappelijk, recreatief en ecologisch opzicht een verrijking voor nieuwe natuurgebieden kan zijn.
Beleid & regels
Beleidskaders Het concept van de Ecologische Hoofdstructuur is in 1990 in het Natuurbeleidsplan door het rijk geïntroduceerd. Een groot deel van de EHS wordt gevormd door bestaande bos- en natuurgebieden, maar daarnaast moest ook nieuwe natuur ontwikkeld worden. In 2018 moet de EHS gereed zijn. Met de nota ’Natuur voor mensen, mensen voor natuur’ (2000) koos het rijk voor een koers die meer gericht was op de maatschappelijke verankering van het natuurbeleid. Natuur voor mensen is de opvolger van het Natuurbeleidsplan. Sindsdien is er meer aandacht voor natuurbeleving door mensen, voor natuur in en rond de stad en voor de robuuste verbindingen tussen de kerngebieden. Met deze robuuste verbindingen wordt circa 27.000 hectare nieuwe natuur extra aan de EHS toegevoegd. Net als de rest van de EHS moeten de robuuste verbindingen voor 2018 zijn gerealiseerd. Een goed voorbeeld van een Robuuste Verbinding is de verbinding tussen de Oostvaardersplassen en de Veluwe, waar de edelherten straks doorheen kunnen trekken. In de Agenda voor een Vitaal Platteland van het ministerie van LNV, ook uit 2004, kiest het rijk meer dan voorheen om agrariërs en particulieren (zoals landgoedeigenaren) in te schakelen bij de ontwikkeling en het beheer van natuur. De agrariër blijft eigenaar van de grond en wordt naast boer ook natuurbeheerder. Hij krijgt hiervoor subsidie. De overheid koopt de grond niet aan.
Ruimtelijke verankering Het Rijk heeft in het Structuurschema Groene Ruimte van 1995 de algemene grenzen van de EHS neergelegd. Dit is verder uitgewerkt en bekrachtigd in de Nota Ruimte van 2004 (De provincies werken deze globale begrenzing verder uit en leggen die vast in het streekplan of het provinciaal omgevingsplan. Dat is inmiddels grotendeels gebeurd. Het Rijk toets het streekplan hierop. Gemeenten moeten de EHS-gebieden vervolgens opnemen in hun bestemmingsplan. Met het bestemmingsplan wordt precies aangegeven wat er wel en niet mag gebeuren binnen de grenzen van het EHS-gebied. Schadelijke ingrepen en ontwikkelingen in deze gebieden zijn niet toegestaan. In de provinciale natuurgebiedsplannen geven de provincies per deelgebied aan welk soort natuur gerealiseerd moet worden (het zogenaamde natuurdoel). Om natuur te beschermen zijn er naast het ruimtelijke EHS-spoor tal van wetten en regels van kracht, zoals de Natuurbeschermingswet en de flora- en faunawet. Een ander belangrijk beleidsspoor is het verhogen van de milieukwaliteit in natuurgebieden, met name op het vlak van water (verdroging) en ammoniak (vermesting en verzuring). Meer informatie is te vinden op de website van het Ministerie van LNV.
Europees beleid De EHS sluit aan op het Pan-Europees Ecologisch Netwerk (PEEN). Daarnaast wordt in de Europese Unie waardevolle en voor Europa kenmerkende natuur beschermd door het netwerk Natura 2000. Natura 2000 bestaat uit gebieden die zijn aangewezen in het kader van de Europese Vogel- en Habitatrichtlijn. In Nederland maken de Habitatrichtlijn geheel en de Vogelrichtlijngebieden gedeeltelijk onderdeel uit van de EHS.
Aankoop en inrichting Het Rijk financiert grotendeels de aankoop, de inrichting en het beheer van de EHS. De EHS wordt in eerste instantie gerealiseerd door de aankoop van grond. Dat doet het Bureau Beheer Landbouwgronden - een onderdeel van de Dienst Landelijk Gebied (DLG) - namens het Rijk en provincies. De natuurbeschermingsorganisaties die in die regio actief zijn, richten dergelijke gebieden in - waarbij ze vaak worden ondersteund door DLG - en beheren ze. Het gaat dan om organisaties als Staatsbosbeheer, Vereniging Natuurmonumenten en het Provinciaal Landschap. Het Rijk bepaalt hiervoor kaders en stelt geld beschikbaar. Daarnaast wil het rijk natuurbeheer door agrariërs en andere particuliere grondeigenaren stimuleren. Particulieren krijgen subsidie voor inrichting en beheer van natuurgebieden. Daarnaast kunnen boeren zogenoemde beheerovereenkomsten afsluiten voor agrarisch natuurbeheer in gebieden die als beheergebied zijn aangegeven.
Natuurdoeltypen en Programma Beheer Voor ieder gebied is aangegeven welk soort natuur (of type ecosysteem) gerealiseerd moet worden: het natuurdoeltype. In totaal zijn er 92 natuurdoeltypen. Dit natuurdoel beschrijft een bepaalde natuurkwaliteit en kan worden gebruikt als een toetsbare doelstelling voor een natuurterrein. Per natuurdoeltype zijn de inheemse plant- en diersoorten beschreven, de leefomstandigheden en het beheer dat nodig is om het natuurdoeltype te bereiken. In natuurgebiedsplannen geven provincies aan waar welke natuurdoeltypen gerealiseerd moeten worden. Alle provincies zijn inmiddels klaar of bezig met deze toewijzing van natuurdoelen. De natuurdoelsystematiek is de basis voor de vergoeding die terreinbeheerders (of particulieren) ontvangen voor het beheer van hun terrein. In het Programma Beheer is per natuurdoeltype de vergoeding aangegeven. De belangrijkste regelingen hierin zijn de Subsidieregeling Natuurbeheer 2000 (SN) en de Subsidieregeling Agrarisch Natuurbeheer (SAN).
Cultuurhistorie Zowel Natuur voor Mensen, Mensen voor Natuur als de Nota Ruimte onderstrepen het belang van cultuurhistorie bij (het ontwikkelen van) natuur. Als er wettelijk beschermde (cultuurhistorische, bouwhistorische of archeologische) monumenten aanwezig zijn, zoals celtic fields, grafheuvels, of monumentale boerderijen, moet daar ook in natuurontwikkelingsprojecten rekening mee gehouden worden. Ook meer algemene beschermingsprincipes -zoals bijvoorbeeld vastgelegd in het Verdrag van Malta - blijven in natuurontwikkelingsgebieden onverlet van kracht, net als door provincie of gemeente aangewezen cultuurhistorische waarden. De Nota Ruimte is wat dat betreft helder: ‘Indien in de natuurgebieden sprake is van in rijkskaders, provinciale of gemeentelijk kaders vastgestelde bijzonder cultuurhistorische en landschappelijke kwaliteiten, moet de ontwikkeling van natuurlijke waarden daar op worden afghestemd. Waar sprake is van overlap tussen Vogel- en Habitatrichtlijn, Natuurbescherminsgwet- en EHS-gebieden enerzijds en Nationale Landschappen anderzijds, geven provincies in hun streekplan aan hoe zijn instandhouding en ontwikkeling van ecologische en culturele waarden in deze gebieden combineren.’ De provincie is wat betreft cultuurhistorie en natuur(ontwikkeling) de centrale regisseur. Meer informatie over het provinciale en gemeentelijke beleid rond cultuurhistorie en natuur kunt u verkrijgen via de RO-afdeling van uw provincie.
Financieringen De financiering van grondaankopen, inrichting en beheer van natuurterreinen is in eerste instantie de verantwoordelijkheid van het rijk. Provincies spelen daarnaast een steeds actievere rol in de (voor)financiering van grondaankoop, inrichting en beheer. Over het algemeen zijn de budgetten voor aankoop toereikend.
Naast de budgetten voor aankoop, inrichting en beheer (die voor een deel via Programma Beheer lopen) zijn er veel Europese, Haagse en provinciale subsidies voor het ontwerp en de inrichting van nieuwe natuurgebieden, vaak in combinatie met landinrichting, de reconstructie van de zandgebieden en (ander) gebiedsgericht beleid. De financiering hiervan loopt via het Investeringsbudget Landelijk Gebied (ILG). Hoewel het beschikbare rijksbudget voor cultuurhistorie en landschap buiten de Nationale Landschappen zeer beperkt is, hebben provincies en Brussel vaak wel geld over voor gebiedsgerichte projecten - inclusief natuur- en landschapsontwikkeling - waarin cultuurhistorie een belangrijke plaats heeft, zeker als er een koppeling gelegd kan worden met de recreatieve en economische ontwikkeling van een gebied en de versterking van de regionale identiteit (bijvoorbeeld via POP-gelden en D2-gelden). Door cultuurhistorie actief mee te nemen wordt een project op die manier weliswaar soms duurder, maar neemt ook de financierbaarheid toe. Daar kan ook de natuur van profiteren. Voor specifieke ontwerpvraagstukken rond de integratie van natuurontwikkeling en cultuurhistorie is ook Belvedere-subsidie beschikbaar (zie voor meer informatie de website van het Stimuleringsfonds voor Architectuur).
Voor het herstel van cultuurhistorische waarden in (nieuwe) natuurgebieden - van lanen tot kastelen - is vaak financiering te vinden. Voor (rijks)monumenten en bijzondere archeologische waarden zijn provinciale en nationale subsidies beschikbaar, en ook particuliere fondsen (zoals het Prins Bernhardfonds en het VSB-fonds; zie ook financiering) dragen vaak bij aan dergelijke herstelprojecten.
Het belangrijkste financiële knelpunt dat vaak genoemd wordt is de (te geringe) vergoeding voor (jaarlijks) terugkerend cultuurhistorisch beheer, zoals het vrijkappen van grafheuvels, het onderhoud en de vernieuwing van lanen en houtwallen of het (traditionele) beheer van hakhoutbosjes. De terreinbeherende organisaties vinden dat in het Programma Beheer de landschappelijke en cultuurhistorische doeltypen ondervertegenwoordigd zijn. Bovendien dekken de vergoedingen die aan dergelijke doeltypen gekoppeld zijn niet altijd de kosten. Dan wordt al snel gekozen voor een goedkoper soort beheer. Voor Staatsbosbeheer geldt een andere (financiële) regeling voor het beheer, omdat ze een zelfstandig bestuursorgaan is van de rijksoverheid. Overigens lossen veel beheerders deze problemen (gedeeltelijk) op door bijvoorbeeld scholen, zorginstellingen en vrijwilligers uit te nodigen voor beheerstaken.
Naast de directe financieringsmogelijkheden vanuit overheden zijn er de laatste jaren in het kader van een meer ontwikkelingsgerichte benadering (planologische) instrumenten ontwikkeld waarmee uit ‘rode’ ontwikkelingen (zoals woningbouw) ‘groene’ projecten (mede)gefinancierd kunnen worden, zoals cultuurhistorische, ecologische of waterprojecten - ‘rood voor groen’ in vakjargon. Een voorbeeld hiervan is de ontwikkeling van nieuwe landgoederen, waarbij ook natuur ontwikkeld moet worden. Gemeenten en provincies kunnen bij de toekenning van dergelijke projecten ook voorwaarden stellen op het gebied van cultuurhistorie. In de praktijk gebeurt dat nog maar weinig.
Op www.nederlandmooi.nl zijn inspirerende initiatieven en financieringsconstructies terug te vinden rond landschaps- en natuurbeheer. Op de site is ondermeer aandacht voor sponsoring (van landschapsbeheer en -onderhoud) door het bedrijfsleven en voor regionale (burger)initiatieven rond de vorming van natuur- en landschapsfondsen. Ook bevat de site voorbeelden van maatregelen die gemeenten, provincies en andere organisaties kunnen nemen om boeren in hun streek te ondersteunen bij het beheer van het landschap.
Betrokken partijen Bij (de vormgeving en uitvoering van) het EHS-beleid zijn veel partijen betrokken. In de eerste plaats is dat natuurlijk het rijk (ministerie van LNV, directie Natuur), die verantwoordelijk is voor de hoofdlijnen van het beleid en (een belangrijk deel van) de financiering. Daarnaast spelen de provincies als regisseur een belangrijke rol; zij zijn verantwoordelijk voor de uitwerking en de uitvoering van het beleid en spelen vaak een rol bij (voor)financiering en grondverwerving. Naast deze partijen zijn er veel andere partijen betrokken bij natuurbeheer en -ontwikkeling. Welke partijen dat zijn, is mede afhankelijk van het type natuurontwikkelingsopgave. Voor het realiseren van natte ecologische verbindingszones - vaak in beekdalen of langs kreken - zijn bijvoorbeeld de waterschappen verantwoordelijk, terwijl in de meeste gevallen ook de uiteindelijke eigenaar en/of beheerder een belangrijke rol speelt.
Terreinbeherende organisaties Meestal spelen de terreinbeherende organisaties een centrale rol in natuurontwikkelingsprojecten: Staatsbosbeheer, Natuurmonumenten en de twaalf Provinciale Landschappen (waarvan sommige samen met het provinciale Landschapsbeheer zijn samengevoegd tot één organisatie). Deze organisaties hebben vaak speciale medewerkers in dienst die verantwoordelijk zijn voor (het beleid rond) landschap en cultuurhistorie en die adviseren bij de invulling van concrete natuurontwikkelingsprojecten. Alle terreinbeherende organisaties hebben inmiddels beleid geformuleerd rond de vraag hoe zij om willen gaan met cultuurhistorische waarden bij de ontwikkeling en het beheer van hun eigendommen. Natuurmonumenten stelt in haar Werkdocument Cultuurhistorie bijvoorbeeld dat het verleden een inspiratiebron kan zijn voor de toekomst. Naast aandacht voor behoud van bestaande cultuurhistorische waarden schuwt Natuurmonumenten een vernieuwende, ontwikkelingsgerichte aanpak niet: cultuurhistorie kan op meer manieren ingepast worden dan alleen door conservering (‘behoud door ontwikkeling’). Staatsbosbeheer schrijft dat ze de streekeigen identiteit van oude cultuurlandschappen en van de natuurgeschiedenis wil bewaren voor toekomstige generaties.
Particulieren Naast de terreinbeherende organisaties nemen particuliere grondeigenaren een steeds belangrijker plaats in het natuurbeleid in, niet alleen rond het beheer, maar ook bij natuurontwikkeling - functiewijziging dus. Het gaat dan om agrariërs - soms verenigd in een regionale agrarische natuurvereniging - die natuur beheren (en ontwikkelen), (nieuwe) landgoedeigenaren (verenigd in de Federatie Particulier Grondbezit) en boseigenaren. Het rijk hecht steeds meer waarde aan de inzet van deze groepen in het natuurbeleid.
Waterschappen, gemeenten en andere (semi-)overheden Daarnaast zijn er grondeigenaren die verantwoordelijk zijn voor specifieke natuurontwikkelingsopgaven. Waterschappen zijn verantwoordelijk voor het realiseren van de zogenaamde natte ecologische verbindingszones, vaak stroken natuur langs (hermeanderde) beken, kreken of watergangen. Waterschappen krijgen steeds meer oog voor cultuurhistorie, hoewel hun primaire taak het waterbeheer blijft. Gemeenten zijn verantwoordelijk voor het realiseren van de ‘droge’ ecologische verbindingszones (zones met bijvoorbeeld houtwallen en struwelen). In het rivierengebied speelt Rijkswaterstaat een belangrijke rol bij het realiseren van Ruimte voor de Rivier, dat vaak gekoppeld wordt aan natuurontwikkeling in de uiterwaarden. Ook Domeinen en Defensie (militaire oefenterreinen) beheren (natuur)gronden waarop soms ruimtelijke ontwikkelingen plaatsvinden. Tot slot beheren drinkwaterbedrijven (delen van) hun grondwaterbeschermingsebieden, die ze vaak als natuurgebied inrichten. Ook zij kunnen daarbij rekening houden met de cultuurhistorische waarden in het gebied.
Cultuurhistorische organisaties Naast de terreinbeherende organisaties en de grondeigenaren spelen cultuurhistorische organisaties en (kennis)instituten uiteraard een belangrijke rol. De Rijksdienst voor Oudheidkundig Bodemonderzoek (ROB) werkt al nauw samen met terreinbeheerders en heeft een samenwerkingsconvenant getekend met Staatsbosbeheer (en Rijkswaterstaat). Maar ook lokale heemkundekringen, provinciale erfgoedorganisaties, de afdeling cultuurhistorie van de provincie en adviesbureaus kunnen een belangrijke rol spelen bij het agenderen van cultuurhistorie in natuurontwikkelingsprojecten en bij het aanleveren van cultuurhistorische gebiedskennis.
Dienst Landelijk Gebied en (andere) adviesbureaus Een andere belangrijke partij rond natuurontwikkeling is de Dienst Landelijk Gebied (DLG). De DLG is een agentschap van het Ministerie van LNV. Via het Bureau Beheer Landbouwgronden verzorgt de DLG de grondaankopen voor natuurontwikkeling - steeds vaker in overleg met de provincies, die zelf ook steeds actiever op de grondmarkt opereren. De aangekochte gronden worden ingezet voor grondruil, waarna de gronden worden overgedragen aan de beoogde terreinbeheerder. DLG, en dan vooral de regionale afdelingen, speelt daarnaast ook een belangrijke rol in de planvorming rond (integrale) gebiedsontwikkeling en -inrichting, waarbij ook vaak natuurontwikkeling een rol speelt. Steeds vaker wordt die rol ook door (andere) adviesbureaus gespeeld, zoals natuuradviesbureaus en bureaus van landschapsarchitecten.
Bewoners, ontwerper en kunstenaars Uit de projectvoorbeelden (zie onder) blijkt dat het zeer vruchtbaar kan zijn om bij de planvorming en -uitwerking ook bewoners en bezoekers te betrekken, die hun wensen, belangen en (cultuurhistorische en landschappelijke) gebiedskennis kunnen inbrengen. Ook de inbreng van ontwerpers en kunstenaars kan vruchtbaar zijn, doordat ze ruimtelijke opgaven op een prikkelende manier weten te koppelen aan de beleving van een gebied. De kwaliteit van, en het draagvlak voor de plannen kan daardoor vergroot worden.
Betrokken partijen:
Projecten Inmiddels is de nodige ervaring opgedaan met projecten waarin natuurontwikkeling wordt gecombineerd met cultuurhistorie. Er liggen ‘natuurlijke’ kansen voor die koppeling: vaak hangen de te realiseren natuurwaarden immers samen met het agrarische gebruik van een gebied. Schraalgraslanden, hakhoutbosjes, heidevelden, zandverstuivingen, rabattenbossen - de vaak hoge natuurwaarden in deze gebieden hangen nauw samen met de oude inrichting en het beheer. Ook wordt de bestaande landschappelijke kwaliteit van gebieden waar natuurontwikkeling moet plaatsvinden vaak hoog gewaardeerd; en ook dat hangt vaak nauw samen met de cultuurhistorische waarden in het gebied.
In de Krimpenerwaard bijvoorbeeld, dat door de provincie Zuid-Holland als één van haar cultuurhistorische topgebieden was aangewezen, lag een flinke natuurontwikkelingsopgave: zo’n 20% van het overwegend open agrarische gebied moest natuur worden. In het plan dat het Zuid-Hollands Landschap voor het gebied heeft laten opstellen, bleek het echter goed mogelijk de natuurdoelstellingen - zowel qua oppervlakte als natuurdoeltypen - te realiseren door voort te bouwen op de karakteristieken van het bestaande landschap. Kavelstructuren en ontginningpatronen bleven gehandhaafd. En in plaats van een aaneengesloten bosgebied - dat niet in het open landschap zou passen - is gekozen voor de aanleg van nieuwe pestbosjes, die het karakter van het landschap juist versterken. Met die aanpak is ook het draagvlak voor natuurontwikkeling gegroeid. Voor meer informatie over dit project klik hier)
Een ander voorbeeld is de aanleg van een natte ecologische verbindingszone (EVZ) in het Brabantse Gemert. Oorspronkelijk had het waterschap gekozen voor een puur ecologische invulling van de EVZ, mede op basis van het voorbeeldenboek van de provincie Brabant. Maar door de inzet van heemkundigen is uiteindelijk gekozen voor een invulling waarbij het historisch grondgebruik en een oude ‘dubbele beekloop’ de inspiratie vormden voor de ontwikkeling van de natuur in het gebied - waarbij dezelfde ecologische doelstellingen gerealiseerd werden. Meer informatie over dit project kunt u hier lezen)
Beide projecten laten zien dat door voor te bouwen op de cultuurhistorische waarden dezelfde natuurwaarden gerealiseerd kunnen worden, terwijl het historische landschap leesbaar blijft of zelfs versterkt wordt. Dat komt de eigenheid en de aantrekkelijkheid van het gebied ten goede, en zorgt bovendien voor een groter draagvalk onder boeren en bewoners.
Hoewel er op veel plaatsen in het land met ‘cultuurhistorische natuurontwikkeling’ wordt geëxperimenteerd, blijken er in de praktijk nog de nodige knelpunten te bestaan. Naast het beperkte budget voor cultuurhistorisch natuurbeheer (zie financiering) vormt ook de vaak slechte afstemming tussen het cultuurhistorische en natuurbeleid een knelpunt, zowel op rijks- als provinciaal niveau. Dat levert bij de uitwerking van plannen voor een concreet gebied soms tegenstrijdigheden of onduidelijkheden op. Ook de vraag hoe cultuurhistorische informatie op waarde moet worden geschat en vervolgens vertaald kan worden naar een inrichtingsontwerp en naar beheersstrategieën blijkt in de praktijk vaak moeilijk te beantwoorden te zijn.
Gerelateerde projecten:
Interviews en opinies ‘We hebben gemerkt,’ zegt Patrick Jansen van Stichting Probos, die in 2005 het boek Historische Boselementen uitbracht, ‘dat er veel behoefte is aan cultuurhistorische kennis voor het bosbeheer. Als je goed kijkt kun je heel veel erfgoed in onze bossen aantreffen, van de celtic fields en grafheuvels uit de prehistorie, de landweren en waskolken uit de Middeleeuwen, tot en met de lanen en sterrenbossen uit de landgoederentijd en de bundervakken, brandsingels en bomkraters uit onze recente geschiedenis. Dat erfgoed kan je goed gebruiken als inspiratiebron in het beheer. Houtoogst past vaak uitstekend binnen het historische beheer van een gebied, en cultuurhistorisch beheer levert vaak waardevolle biodiversiteit op - denk maar aan hakhoutrelicten. Bovendien kan je met cultuurhistorie het streekeigen karakter van een natuurgebied benadrukken, zodat het nog aantrekkelijker wordt voor recreanten. Maar,’ zegt Jansen, ‘die aandacht voor cultuurhistorie betekent niet dat je alles moet behouden. Je moet nu eenmaal keuzes maken, al was het maar om financiële redenen. Bovendien moet je niet bang zijn om cultuurhistorie toe te voegen - want wat je nu doet is de cultuurhistorie van de toekomst. Dát je cultuurhistorische waarden verliest, is daarom niet erg. Maar het is wél erg als dat gebeurt omdat je gewoonweg niet weet wat je hebt.’
In Nederland is het nog lastig om geld te vinden voor cultuurhistorische investeringen binnen het natuurbeleid, constateert Roelof Balk, directeur van het Nationaal Groenfonds. Het Groenfonds coördineert de overheidsinvesteringen in natuur en landschap. Balk: ‘We zijn nog heel erg gewend aan het functionele denken, aan de optimalisatie van de grond op basis van één functie. Pas kort is er sprake van meervoudig grondgebruik, van ontwikkelingsplanologie. Tot nu toe financieren wij ook voornamelijk alleen hectares natuuraanleg binnen de EHS-beleidslijnen. De brug naar financieringsbronnen waarin cultuurhistorie binnen natuurontwikkelingtrajecten kan worden gefinancierd, moet echter nog worden geslagen.’
Voor de Krimpenerwaard is een visie opgesteld waarin de forse natuurontwikkelingsopgave voor het gebied wordt ingevuld door voort te bouwen op het open karakter van het typische agrarische veenweidelandschap. Een belangrijk onderdeel van de visie was de uitwerking in eenvoudige bouwstenen, die mooi geïllustreerd waren. Daardoor zien bewoners voor zich wat bedoeld wordt en dat het meestal minder ingrijpend is dan ze van tevoren denken - of dat het zelfs mooier wordt. Maar ook de natuurmensen konden zich in het plan vinden, vertelt Maarten Koenders van het bureau Cultuur van de provincie Zuid-Holland. Koenders: ‘Aanvankelijk hadden de natuurmensen hun scepsis: ‘Zouden we op deze manier wel onze natuurdoelstellingen halen? Hebben we eindelijk alles geregeld via de EHS, hebben we de boeren mee, en dan moeten we opeens iets met cultuurhistorie’. Dat vonden natuurmensen bedreigend. En andersom natuurlijk ook: de cultuurmensen vreesden dat het karakter van het landschap verloren zou gaan met 2500 hectare natuur. Maar met deze visie zagen alle partijen dat de combinatie heel goed mogelijk is. Vooral de aanpak om eerst goed te analyseren van wat je hebt om vervolgens pas concrete maatregelen te gaan inpassen. Ook voor andere gebieden is de visie inmiddels een inspiratiebron. Niet vanwege de concrete maatregelen maar vooral vanwege de gevolgde aanpak en denkwijze.’
Aanvullende informatie
Meer informatie over het benutten van cultuurhistorie in natuurontwikkeling en -beheer vindt u in onderstaande bronnen.
- In 2006 heeft het projectbureau Belvedere een inventariserende studie laten uitvoeren naar de praktijkervaringen rond de integratie van cultuurhistorie in natuurontwikkelingsprojecten. In twaalf natuurontwikkelingsprojecten is onderzocht hoe ‘behoud door natuurontwikkeling’ in de praktijk plaatsvindt: welke kansen zijn er en waar liggen de knelpunten? In een brochure worden de bevindingen van de studie op een overzichtelijke wijze weergegeven. - Belvedere special Vakblad natuur, bos en landschap (februari 2006) - Artikel in het Vakblad natuur, bos en landschap over Verborgen erfgoed in het bos - Op www.projectenbankcultuurhistorie.nl is een overzicht te vinden van natuurprojecten waarbij rekening gehouden is met cultuurhistorie. - Historische boselementen (uitgave van Stichting Probos) - Leestekens van het landschap (uitgave van Landschapsbeheer NL) - Special van de nieuwsbrief Belvedere over natuur (2006) - In november 2006 is een bijeenkomst georganiseerd samen met de Dienst Landelijk Gebied (DLG) en de RACM over natuurontwikkeling en cultuurhistorie, met als doelgroep de ecologen, hydrologen en ontwerpers van DLG en de cultuurhistorici van de RACM. - Op 1 februari 2007 organiseerde projectbureau Belvedere een excursie voor de beleidsmedewerkers van het ministierie van LNV die met natuurbeleid bezig zijn. - In de winter van 2005-2006 zijn door het projectbureau Belvedere en Novioconsult van Spaendonck 4 workshops georganiseerd over het thema natuurontwikkeling en cultuurhistorie (Westerwolde, de Veenen, Ooijpolder en de Maashorst). Terreinbeheerders, landschapsmedewerkers en mensen van adviesbureaus zijn het veld ingegaan en hebben gekeken hoe natuurontwikkeling in het gebied gerealiseerd kan worden met behoud en ontwikkeling van de aanwezige cultuurhistorische waarden. Hieronder kunt u onder het kopje ’downloads’ de vier verslagen van deze workshops downloaden
Gerelateerde bibliotheek bestanden:
|